Geheimen van geld,
rente en inflatie
Rudo de Ruijter,
Onafhankelijk onderzoeker
Geld speelt een
grote rol in ons leven. Ook in de maatschappij wordt bijna
alles door geld bepaald. Vreemd genoeg zijn er maar weinig
mensen, die de goocheltrucs kennen, waarmee het geld
ontstaat en weer verdwijnt. De meeste mensen zien wel, dat
het geld telkens minder waard wordt en dat alles duurder
wordt, maar weten niet, dat dit in eerste instantie door het
geldsysteem zelf veroorzaakt wordt. Ook het eeuwige najagen
van economische groei en de almaar oplopende werkdruk in
geïndustrialiseerde landen worden door het geldsysteem
bepaald. Geld kan ook dienen voor onderdrukking,
bijvoorbeeld van Derde Wereldlanden, of aanleiding zijn voor
oorlogen, zoals die tegen Irak. Wilt u een kleine rondgang
achter de schermen? Welkom in het circus van de
geld-goochelaars!
Inhoud:
1. Geld maken
2. Permanente inflatie
3. Centrale banken hebben inflatie nodig
4. Grillen van de geldmassa
5. De oorlog tegen Irak
6. Onderdrukking van Derde Wereld-landen
7. Het wapen van China
8. Inflatie en economische groei
9. Verdere groei of een duurzame maatschappij?
1. Geld maken
Ruilen, een basis behoefte
Mensen hebben elkaars producten
en diensten nodig. Ze gebruiken geld om met elkaar te
ruilen. Natuurlijk zou het fijn zijn, als geld een eerlijk
ruilmiddel zou zijn. Maar dat is niet het geval. Geld wordt
telkens minder waard.
Geld is niet van de staat
De meeste mensen denken nog
steeds, dat geld door de staat gemaakt wordt. De meeste
regeringen hebben echter weinig of niets te zeggen over de
geldvoorziening in hun land. Die macht is overgenomen door
de banken. Zij hebben dit ruilmiddel veranderd in een
lucratieve manier om door middel van rente een permanente
belasting van het volk te heffen. Bankiers innen rente over
bijna al het geld op de hele wereld.
Geld wordt door commerciële
banken gemaakt
Commerciële banken maken
doorlopend geld voor leningen. Dat doen ze simpelweg door
getalletjes in te typen op de bankrekening van de leners,
die het uit kunnen geven alsof het gewoon bankbiljetten
zouden zijn. Tegenwoordig bestaat verreweg het grootste
gedeelte van het geld als getallen op bankrekeningen.
Wettelijk hebben deze getallen dezelfde waarde als
bankbiljetten en munten.
Elke commerciële bank mag op
deze manier nieuw geld aanmaken. Achter de schermen,
onttrokken aan het oog van de klanten van de bank, begint
hier het lucratieve geschuif met andermans geld. De
ingetypte bedragen zijn namelijk vergelijkbaar met ongedekte
cheques. De bank zelf heeft het geld niet. Wanneer de lener
het ingetypte bedrag uitgeeft door middel van een cheque of
een betalingsopdracht, gebruikt de bank andermans geld om de
betaling te voldoen. Dat geld wordt ongezien weggenomen uit
de betaal- en spaarrekeningen van andere klanten. Banken
weten uit ervaring, dat die klanten maar een klein gedeelte
van hun betaal- en spaarrekeningen gebruiken, voordat er
weer geld bijgestort wordt. Afgezien van dat kleine
gedeelte, gebruikt de bank de rest als dekking voor hun
uitstaande leningen. U merkt daar niets van. De getalletjes
op uw betaal- en spaarrekeningen worden niet veranderd. En
tegen de tijd, dat u weer over uw geld wilt beschikken,
wordt er wel weer een lening afbetaald, zodat u nergens iets
van hoeft te merken. In veel landen is bij wet bepaald welk
percentage de banken minimaal als reserve aan moeten houden.
Vaak rond de 10 procent. Meestal wordt die reserve dan door
de centrale bank van het land beheerd.
Het feit, dat banken andermans
geld gebruiken als dekking voor het nieuwe geld dat ze
uitlenen, betekent, dat de hoeveelheid nieuw geld die ze aan
kunnen maken beperkt is. In de praktijk wordt vaak rond de
90 procent van het geld op spaar- en betaalrekeningen
gebruikt als dekking voor nieuw geld.
Maar ook het geld op spaar- en
betaalrekeningen is geld dat ooit op dezelfde manier uit de
hoed van de bankiers is getoverd. Dus nieuw hocus-pocus geld
wordt gedekt met reeds bestaand hocus-pocus geld. Maar
zolang niemand dat in de gaten heeft krijgt de goochelaar
applaus. Laten we de gevolgen eens bekijken.
Het leningencarrousel
Leningen
hebben een verborgen effect. Wanneer de geldlener het
geld uitgeeft, zal de ontvanger het normaliter op zijn bank
storten. Dank zij deze storting kan deze bank ook weer
nieuwe leningen uitgeven. Deze leningen zullen ook weer
uitgegeven worden en gestort worden op een volgende bank. En
zo verder. Natuurlijk, op elk nieuwe niveau zal een bank
rente innen. Het is een gigantisch carrousel van
geldcreatie, dat de totale geldhoeveelheid in het land enorm
opblaast.
Telkens wanneer leningen,
uitgegeven door de ene bank, als storting bij een volgende
bank belanden, kan een nieuwe ronde van leningen starten.
Het schema geldt ook, wanneer het geld van een lening
uitgegeven wordt en weer als storting bij dezelfde bank
terugkomt.
Als er maar één bank in het
land zou zijn, dan zou het gauw duidelijk worden, dat deze
bank de hele tijd nieuw geld maakt door leningen uit te
geven en het geld weer als storting oppikt, weer nieuwe
leningen uitgeeft, het geld opnieuw oppikt, enzovoort.
Het effect van het
leningencarrousel is dus, dat alle banken samen meer
leningen uitgeven en telkens meer rente kunnen innen. Het
doet de hoeveelheid geld in omloop vele malen toenemen. Maar
worden wij, of de banken, daar ook rijker van?
Banken creëren wel meer geld,
maar maken niet met een toverspreuk meer goederen om te
kopen. Wanneer mensen meer geld hebben, maar er zijn nog
steeds evenveel spullen om te kopen, dan gaan simpelweg de
prijzen omhoog. Elke eenheid geld wordt minder waard. Dat
heet inflatie.
Dus, wanneer banken meer geld
in omloop brengen, gaat de waarde van elke eenheid geld
omlaag. En dat geldt ook voor de rente die zij innen.
Wanneer zij tien keer zoveel leningen uitgeven en de
geldhoeveelheid met 10 vermenigvuldigen, dan is de rente die
zij innen ook 10 keer minder waard.
Concurrentie verzekert
inflatie
De meeste landen hebben maar
één officiële valuta, maar meerdere commerciële banken die
het geld in omloop brengen. En ofschoon die banken samen
niet echt veel wijzer worden van het opblazen van de
geldhoeveelheid, doen ze dat toch. De enige reden daarvoor
is de concurrentie tussen banken onderling. Ofschoon
concurrentie gezond klinkt, wanneer het om gewone bedrijven
gaat, betekent concurrentie tussen banken het zoveel
mogelijk geld uitlenen, dus zoveel mogelijk geld maken en
dus maximale inflatie.
Voor elke bank is de
concurrentie slechts een strijd om meer rente te innen en
meer marktaandeel en winst te verkrijgen. De bank met de
beste resultaten groeit sneller dan de andere en, na verloop
van tijd, zal die zijn concurrenten op kunnen eten.
De kloof tussen rijk en arm
Niet iedereen kan het geld
lenen dat hij wil. Wanneer banken geld uitlenen vragen zij
een onderpand, dat ze in beslag kunnen nemen, wanneer de
lener zijn betalingen niet verricht. Mensen met voldoende
onderpand kunnen makkelijk lenen en investeren. Grote
bedrijven betalen zelfs lagere rente. De eis van onderpand
werkt als een permanente verbreding van de kloof tussen rijk
en arm.
Voor maatschappijen is dit een
permanent sluipend gevaar. Omdat banken en niet regeringen
over leningen beslissen, kunnen regeringen de sociale
breuken slechts proberen te maskeren, maar zullen deze niet
kunnen repareren of voorkomen.
Leningen voor investeringen
en consumptie
Een effect van leningen dat
leners maar al te goed kennen, is dat de hoofdsom met rente
moet worden terugbetaald. De ondernemer die geld leent voor
investeringen zal extra inkomsten moeten verkrijgen om de
rente te betalen. Leningen voor investeringen zijn niet
alleen een melkkoe voor bankiers, maar kunnen ook bijdragen
aan meer economische activiteit. Het verstrekken van
leningen voor investeringen zou het nut zijn van de banken
voor de maatschappij.
Daar tegenover, leningen voor
consumptiegoederen dragen normaal gesproken niet bij aan
meer consumptie. Het is waar, dat dank zij
consumentenkrediet de aankoop van een artikel eerder plaats
vindt. Dit voordeel wordt echter teniet gedaan door een
langere periode van verminderde koopkracht van die
consument. De consument moet niet alleen geld verdienen voor
het bedrag van zijn aankoop, maar ook voor de rente. Daarom
zal hij minder consumptie goederen met zijn inkomen kunnen
kopen. Wanneer de consument de rente aan de bank betaalt,
zal slecht een gedeelte van deze rente loon van
bankemployees worden en slechts een gedeelte van dat loon
zal aan consumptiegoederen besteed worden. Krediet voor
consumptiegoederen leidt dus eerder tot vermindering van de
totale aankopen voor consumptiegoederen.
Waar gaat het geld heen?
Zodra de lener het geld van
zijn lening uitgegeven heeft, is het tamelijk onvoorspelbaar
welk gebruik de achtereenvolgende gebruikers van dat geld
ermee doen. De een kan het verkrijgen door een auto aan de
lener te verkopen, en het weer uitgeven als loon aan zijn
personeel. De werknemer kan een gedeelte gebruiken voor de
huur van zijn huis. In feite, zodra het geld op het grote
speelveld van transacties belandt, kan het voor alle
doeleinden dienen waar we geld voor gebruiken.
Tijdens de looptijd van de
lening, wordt het geld van bank naar bank overgeboekt,
telkens wanneer een rekeninghouder een betaling verricht aan
een rekeninghouder bij een andere bank. Voor dit doel houdt
de centrale bank rekeningen van alle banken en voert die
overboekingen uit.
Soms is het praktischer om
bankbiljetten en munten te gebruiken. Bij de bank of een
geldautomaat kan men dan geld van zijn rekening opnemen.
Wanneer het uitgegeven wordt, zal de ontvanger het weer naar
zijn bank brengen en ziet hij het bedrag op zijn rekening
verschijnen. Geld kan de vorm hebben van contant geld of van
getalletjes op een bankrekening. Voor betalingen maakt het
niet uit welke vorm het heeft.
Waar eindigt het geld?
Geld eindigt, wanneer de lener
de hoofdsom aan de bank terugbetaalt. Op dat moment boekt de
bank het geld van de lener’s betaalrekening naar de lener’s
krediet rekening. De kredietrekening laat dan zien, dat de
schuld van de lener verminderd is. Het geld kwam in omloop
door een bedrag op de rekening van de lener in te typen en
lost op door dat bedrag weer te verminderen.
De lener moet ook rente aan de
bank betalen. Die rente maakt geen deel uit van het geld dat
de bank voor hem gecreëerd heeft. De lener moet ervoor
werken en moet het verkrijgen uit ander geld wat in omloop
is. (Per definitie maakt dat andere geld deel uit van de pot
van alle uitstaande leningen in het land op dat moment.)
Dus, het leven van het geld
eindigt, wanneer de lening eindigt. En als alle leningen
terugbetaald zouden worden, zou er geen geld meer over zijn.
Maar voor het ogenblik zijn er nog oceanen vol geld en over
al dat geld innen de banken rente.
Niet-bankiers versus
bankiers
In de maatschappij gaat het
geld rond. Geld komt jouw kant op wanneer je dingen maakt of
doet die anderen willen. Geld rolt de andere kant op als je
dingen koopt of anderen voor je laat werken. Eventueel kun
je wat sparen voor later. Bankiers doen het anders. Die
nemen altijd simpelweg het geld van anderen en geven dat
uit. Het is gebaseerd op het principe dat het geld van hun
is, omdat zij het gecreëerd hebben. Zodoende vinden bankiers
het logisch, dat zij huur mogen innen. Inderdaad, het
Engelse woord voor huur is “rent”. Rente is niets anders dan
huur. We huren het geld. En ofschoon iedereen het geld
gebruikt, neemt de bank deze heffing altijd van de eerste
gebruiker, de lener. We zullen verderop zien, hoe banken ook
de andere gebruikers rente laten betalen.
Banken kunnen niet als gewone
ondernemingen beschouwd worden. Ze hebben zichzelf eigenaars
van al het geld verklaard en laten de bevolking betalen om
het te huren.
Time-out
Al het geld is tijdelijk.
Leningen die aflopen moeten vervangen worden door nieuwe om
geld in omloop te houden. Leningen starten op verschillende
momenten en hebben verschillende looptijden. Vaak worden
leningen maandelijks in gedeeltes terug betaald. Het
betekent, dat elke hoeveelheid geld in omloop, zijn eigen
“time-out” datum heeft, de datum waarop de lener terug moet
betalen.
De totale hoeveelheid geld in
omloop bepaalt over hoeveel geld we beschikken voor onze
transacties. Op de lange duur bepaalt deze hoeveelheid het
prijsniveau van producten en diensten.
Transacties
Gedurende zijn looptijd is geld
een middel voor transacties. Een transactie vindt plaats
wanneer twee partijen dat interessant vinden. “A” vindt het
geld wat hij krijgt interessanter en “B” vindt de
tweedehands auto die hij koopt interessanter. Een ruil van
eigendom vindt plaats. Nu heeft “A” het geld en “B” heeft de
auto en beiden zijn tevreden.
Transacties kunnen ook een
betaling voor toegevoegde waarde bevatten. Wanneer een
bakker brood maakt, voegt hij zijn werk toe aan de meel, de
melk en het gist. Wanneer hij het brood verkoopt, is de
transactie niet alleen een ruil van eigendom, maar ook een
betaling van de toegevoegde waarde.
Op zichzelf geeft het totale
bedrag aan transacties in een land geen enkele indicatie
over de toegevoegde waarde. Ook zegt het niets over de
totale waarde van goederen en diensten die in het land
geproduceerd worden.
2. Permanente inflatie
Wanneer
de prijzen stijgen betekent dit, dat ons geld minder waard
wordt. Die prijsinflatie kan in de loop der tijd heel
uiteenlopend zijn. Veel economische theorieën bieden uitleg
over de oorzaken. Maar deze theorieën leggen vooral
prijsverhogingen en prijsverlagingen tussen de producten en
diensten uit. Zij leggen niet uit waarom de inflatie
permanent is. De permanente inflatie heeft een andere
oorzaak. We zullen een vlot rondje door wat inflaties maken.
Maar om te beginnen zullen we de verwarring tussen de
Consumenten Prijs Index en inflatie uit de wereld helpen.
Consumenten Prijs Index en
Prijs Inflatie
Prijsinflatie leidt tot ontevredenheid van de bevolking.
Daarom gebruiken veel landen een Consumenten Prijs Index,
die slechts een gedeelte van de gevolgen van de inflatie
toont. [1], [2], [3] Dus, wanneer politici of ambtenaren het
woord “inflatie” gebruiken, bedoelen ze meestal de
wijzigingen in de Consumenten Prijs Index.
De
index is gebaseerd op een jaarlijkse prijsvergelijking van
een mandje producten, dat een “gemiddelde” huishouding nodig
zou hebben. De inhoud van het mandje varieert van land tot
land en dat geldt ook voor de regels, waarmee de index
berekend wordt. Het ene land zal de kosten van voeding,
brandstof en huisvesting wel tellen, een ander land kan deze
kosten er buiten laten. [4], [5] Sommige landen publiceren
de soorten producten die ze in hun mandje hebben [6], maar
de precieze producten blijven gewoonlijk geheim. Niettemin
onthullen sommige statistiekbureaus enkele trucjes, die ze
uithalen om flatterende indexcijfers te verkrijgen. Zo
wijzigen ze bijvoorbeeld regelmatig de inhoud van het
mandje. Producten die te duur worden gaan eruit en worden
door goedkopere vervangen. Of, wanneer de prijs van
producten niet stijgt, maar de kwaliteit verbetert, dan
rekenen ze de kwaliteitsverbetering als een prijsverlaging.
Op deze manier, voor de computer in het mandje, rekent het
Nederlandse “Centraal Bureau voor Statistiek” (CBS) een
prijsverlaging van 64 procent tussen 1998 en 2003! En hup,
zo blijft de index lekker laag! [7]
De inhoud van het mandje wordt
dus regelmatig aangepast. De rechtvaardiging zou zijn, dat
wanneer de prijzen omhoog gaan, de gemiddelde huishouding
zijn inkopen ook aanpast. En wat betekent deze
aanpassingspolitiek dan voor de index? Wel, omdat het
gedefinieerde huishouden niet méér kan uitgeven dan zijn
inkomen, zal de prijsstijging van het CPI-mandje automatisch
beperkt blijven tot de stijging van het inkomen. Meer kan
het gemiddelde huishouden immers niet betalen.
Tenzij anders vermeld, wordt in
dit artikel met “prijsinflatie” de echte stijging van
prijzen in alle transacties bedoeld en niet één of andere
CPI. En met “inflatie” wordt in dit artikel in eerste
instantie de toename van de geldvoorraad bedoeld. we komen
daar zo op terug.
Toenemende kosten theorie
Deze theorie zegt, dat
toenemende kosten prijsinflatie veroorzaken, zoals hogere
lonen, prijsstijging van geïmporteerde grondstoffen of
toenemende belasting op consumptie, bijv. de BTW [8]
Toenemende vraag theorie
Deze theorie zegt, dat de
prijzen omhoog gaan wanneer de vraag groter wordt dan het
aanbod. [9] De toegenomen vraag kan veroorzaakt worden door
exportactiviteiten, belasting verlagingen of toegenomen
geldhoeveelheid. Variaties in de vraag kunnen ook voorkomen,
wanneer consumenten de ene keer wat meer sparen en enige
tijd later het geld weer uitgeven.
Zelfvervullende
verwachtingen
De verwachting van inflatie
veroorzaakt ook echte inflatie. Fabrikanten en handelaren
hebben vaak prijslijsten, die een half jaar of een jaar
geldig zijn. Zij moeten een percentage voor verwachte
inflatie in hun prijzen berekenen. Dit verhoogt de prijzen
onmiddellijk en draagt dus bij aan de echte inflatie.
Hetzelfde geldt voor bankiers. Wanneer zij leningen
verstrekken, voorzien ze, dat de rente die ze op termijn
zullen ontvangen minder waard zal zijn. Ze berekenen daarom
van te voren al een iets hogere rente. Deze extra
rentekosten dragen bij aan de echte inflatie.
Toename van de geldvoorraad
Als toenemende-kosten-inflatie
en/of toenemende-vraag-inflatie plaats zou vinden zonder
toename van de geldvoorraad, dan zouden sommige prijzen
stijgen en andere zouden dalen. We zien echter sommige
prijzen harder stijgen dan andere, maar zelden prijzen die
dalen. Dat komt, omdat in de loop van tijd de hoeveelheid
geld in het land toeneemt door steeds meer uitstaande
leningen. Dit wordt monetaire inflatie genoemd.
Natuurlijk
beïnvloedt dat de prijzen in transacties, maar nooit
gelijkmatig. Praktisch, wanneer meer geld beschikbaar komt,
creëert dit extra geld ruimte voor prijsstijgingen in elke
achtereenvolgende transactie waarin het gebruikt wordt. We
mogen aannemen, dat wanneer ergens al andere
inflatiefactoren aan het werk zijn, bijvoorbeeld een grote
vraag, het extra geld hier tot extra prijsverhogingen leidt.
De monetaire inflatie is de
oorzaak van de permanente prijsstijgingen die we op de lange
termijn hebben. Dit is de enige die telt in de loop van
jaren en decennia.
Het Engelse woord “inflate”
betekent “opblazen”. Het woord “inflatie” duidt eigenlijk op
het opblazen van de geldvoorraad. Dat leidt tot een stijging
van de gemiddelde prijzen. Voor die prijsstijgingen
gebruiken we tegenwoordig ook het woord “inflatie”. Wanneer
tegelijk met de toename van de geldvoorraad ook de productie
in het land toeneemt, dan kan het voorkomen, dat de prijzen
niet of minder hard stijgen. Het beschikbare geld verdeelt
zich dan voor het verhandelen van een groter aantal
artikelen.
3. Centrale banken hebben inflatie nodig
Het lijkt misschien, dat
inflatie zichzelf op een natuurlijke manier in stand houdt.
Wanneer prijzen stijgen tijdens de looptijd van leningen,
moeten de volgende leningen duurdere zaken bekostigen en
moeten ze dus groter zijn. Op elk moment, zou de oorzaak van
inflatie de inflatie zelf zijn. Het is echter niet één of
ander “perpetuum mobile”, dat de inflatie veroorzaakt, maar
een duidelijke en openlijk toegegeven politiek van centrale
banken. [10], [11]. Inflatie is een onderdeel van ons
banksysteem.
Zoals eerder aangegeven zorgt
de concurrentie tussen commerciële banken ervoor, dat zij al
naar gelang de omstandigheden de maximale hoeveelheid
leningen zullen verstrekken. Dat betekent, dat de centrale
banken alleen het verstrekken van leningen wat losser of
strakker hoeven te maken om de inflatie te vergroten of te
verkleinen.
De bekendste manier van
centrale banken om de inflatie te sturen is het wijzigen van
de rentevoet. Dat is bedoeld om potentiële leners te
beïnvloeden. In de woorden van de Nederlandse centrale bank
(DNB): “De rente werkt als het gas- en rempedaal van de
economie. Door een renteverhoging zullen de prijzen dalen,
of in ieder geval minder snel stijgen. Door een
renteverlaging zullen de prijzen sneller stijgen.” [12]
Een manier om het uit te leggen
is, dat wanneer de rente stijgt, de mensen minder zullen
lenen. En wanneer minder aflopende leningen vervangen worden
door nieuwe, dan blijft er minder geld in omloop. Mettertijd
kun je dan meer kopen met elke geldeenheid. De prijzen
dalen. Maar let op, wat DNB eraan toevoegde: “of op z’n
minst minder snel stijgen.” Hier is de centrale bank niet
van plan de prijzen te zien dalen. In dit geval mag de
geldvoorraad nog steeds groeien, alleen wat minder snel.
Wanneer de centrale bank de
rente verlaagt, dan is de reden eenduidig: laat de
geldvoorraad groeien en laat de groeisnelheid toenemen.
Natuurlijk werkt de rente ook op het spaargeld. Wanneer de
rente laag is zullen meer mensen er de voorkeur aan geven
hun geld uit te geven.
Centrale
banken kunnen de inflatie van specifieke prijzen, zoals de
prijzen van brood, fietsen of machines, niet sturen. Ze
sturen de monetaire inflatie, de toename van de totale
hoeveelheid leningen. Het extra geld verspreidt zich nooit
gelijkmatig door de economie. Het zorgt er eerder voor, dat
de effecten van andere inflatiefactoren groter worden, zoals
van de toenemende kosten en de toenemende vraag.
Wanneer de economie de inflatie
niet meer aan kan en het geld zich onvoldoende verspreidt,
ontstaan er bellen. Steeds grotere massa’s geld gaan dan
rond in bijvoorbeeld de aandelenmarkt en de huizenmarkt,
waar geld verdiend wordt met het opdrijven van prijzen. Ook
ondernemingen worden steeds meer gekocht en verkocht alsof
het financiële speeltjes zijn.
Hoewel centrale banken
toegeven, dat inflatie onderdeel is van hun politiek, noemen
ze daarvoor liever economische redenen. Die klinken meestal
aannemelijk en worden rijkelijk door economen en
journalisten van commentaar voorzien. De meesten vergeten
echter, dat centrale banken de inflatie in eerste instantie
zelf nodig hebben.
Inflatie: Centrale banken
hebben inkomsten nodig
Centrale banken hebben de macht
verkregen om te bepalen hoeveel geld er gemaakt wordt, hoe
hoog de inflatie is, hoe hoog de rente is en aan welke
regels de andere banken zich moeten houden. Met deze macht
kunnen ze de economie beïnvloeden. Ze hebben wetten
verworven om die macht uit te oefenen. Wanneer ze financieel
van anderen afhankelijk zouden zijn, zou hun macht snel weer
af kunnen nemen. Daarom zorgen zij voor hun eigen inkomsten.
[14], [15]
Centrale banken verkrijgen hun
inkomsten uit monetaire operaties. Een belangrijke bron van
inkomsten bestaat uit geld ontlenen wanneer de rente laag is
en geld uitlenen wanneer de rente hoog is. Als monetaire
operatie is de bedoeling als volgt. Wanneer de rente bij
commerciële banken te ver wegzakt, (te weinig vraag naar
leningen) dan leent de centrale bank grote hoeveelheden geld
van de banken. Op deze manier blijft er minder geld in
omloop. Daardoor zal de vraag naar leningen weer toenemen en
zal de rente bij de banken ook weer stijgen. In andere
tijden, wanneer de rente van commerciële banken te hoog
wordt, leent de centrale bank geld aan banken, waardoor die
aan de grote vraag naar leningen kunnen voldoen en
uiteindelijk de rente weer zakt. [16] Hoe groter de
verschillen in rente tussen het lenen en uitlenen, des te
groter de winst voor de centrale bank.
Voor het verkrijgen van
inkomsten uit deze operaties is inflatie essentieel. Zonder
inflatie zou de rente namelijk zeer laag blijven. [17] Er
zou nauwelijks verschil zijn tussen hoge en lage rente.
Samenhangend met deze handel vergroot de centrale bank ook
haar balans. Ze koopt meer waardepapieren in (leent meer
geld uit) dan dat zij waardepapieren verkoopt.
Veel centrale banken stellen,
dat zij de inflatie rond de 2 procent willen houden. Hier
bedoelen deze centrale banken een toename van 2 procent in
de Consumenten Prijs Index van hun land [11], niet de echte
inflatie van de geldmassa, die in de regel veel hoger is.
[3]
Inflatie: het volk voor het
gebruik van geld laten betalen
Inflatie is niet alleen een
noodzaak voor de inkomsten van de centrale bank, maar ook
een middel om invloed uit te oefenen op de gebruikers van
geld. Door de monetaire inflatie betaalt het volk – zelfs
tegen zijn wil – voor het gebruik van geld. Banken innen
rente van geldleners. Op deze manier lijkt het of alleen de
leners voor het gecreëerde geld betalen. Maar laten we eens
bekijken hoe dat zit, wanneer er inflatie is.
Door de inflatie heeft de lener
het voordeel, dat zijn terugbetalingen aan de bank in de
loop van de tijd minder waarde vertegenwoordigen. Deze
betalingen betreffen rente en terugbetaling van de hoofdsom.
De rente vormt inkomsten voor de bank. We mogen er zeker van
zijn, dat de bank de inflatie voorzien heeft en op voorhand
al een beetje meer rente heeft gerekend. Dus, wat de rente
betreft, levert de inflatie geen voordeel voor de lener op.
Voor de hoofdsom ligt dat anders. Hiervoor hoeft de bank
alleen het nominale bedrag terug te hebben. Met de
terugbetaling van de hoofdsom hoeven immers alleen de
ingetypte getalletjes, waarmee de lening begon, te worden
weggestreept. De waardevermindering van de bedragen die voor
de hoofdsom terug betaald moeten worden, vormt dus wel een
voordeel voor de lener.
Dat voordeel voor de lener kan
apart berekend worden voor elk van zijn maandelijkse
termijnen. En wanneer we ook de inflatie berekenen, die de
volgende gebruikers van dat geld ondervinden, dan blijken de
totalen ruwweg hetzelfde te zijn.

Bovenstaand voorbeeld toont een
lening van 10.000 tegen 6 procent per jaar , die in
maandelijkse termijnen wordt afgelost. De rode lijn toont
het totale bedrag aan transacties, dat bereikt wordt wanneer
het beschikbare geld elke twee maanden in een transactie
gebruikt wordt. (Totaal 335.000 in 60 transacties.) De
geldontwaarding door inflatie is verborgen in de 60
transacties. (Bijvoorbeeld 0,167 procent per transactie bij
een inflatie van 2 procent per jaar.) Het waardeverlies voor
de gebruikers van het geld is gelijk aan het voordeel voor
de lener van het geld.
Kort door de bocht: wanneer de
rente 6 procent is en de inflatie 2 procent, dan is het
voordeel voor de lener ruwweg gelijk aan 2/6 van het
rentebedrag. [18] De gebruikers van het geld verliezen
eenzelfde bedrag door inflatie. De banken verliezen niet.
Die hebben de inflatie voorzien en hun rente percentage
daarop berekend.
In andere woorden, dit is wat
de inflatiepolitiek van de centrale banken doet: een deel
van de rentelast doorschuiven van de leners naar de
gebruikers van het geld. Zo betalen gebruikers rente voor
het gebruik van het geld!

Manipuleren van inflatie en
rente
Met
hun gezag inflatie en rente te bepalen hebben de centrale
banken de macht. Ze kunnen ons meer laten sparen,
investeren, consumeren, speculeren en altijd harder laten
werken.
Zoals hierboven aangetoond, is
inflatie een rente die de gebruikers van geld moeten
betalen. Inflatie zet de bevolking aan harder te werken en
meer te concurreren om een beetje van het extra in omloop
gebrachte geld te bemachtigen en zodoende het waardeverlies
van hun geld te compenseren.
Inflatie zet de mensen ook aan
hun geld niet in hun zak of onder hun matras te houden, maar
het uit te geven of het op de bank te zetten voor een beetje
rente. Zo blijft het meeste geld voor de banken beschikbaar.
Wanneer de rente hoog is,
zullen mensen meer sparen. Wanneer de rente laag is, zullen
de mensen eerder meer uitgeven, meer lenen en meer
investeren.
Wat wij op een bepaald
moment interessant vinden, is sterk afhankelijk van wat de
centrale bank wil, dat wij doen.
4. Grillen van de geldmassa
De hoeveelheid geld waarover de
maatschappij beschikt, is dus de totale hoeveelheid
niet-afgeloste leningen. Op zich is dat heel vreemd. Want
wat zou de overeenkomst moeten zijn, tussen uitstaande
leningen en de geldbehoefte in de maatschappij? Wat hebben
de behoefte van leners en hun aflossingscapaciteit te maken
met de geldbehoefte van de rest van de maatschappij? Wanneer
u morgen een huis koopt, en met een lening voor twintig jaar
geld in omloop brengt, dan heeft dat toch niets te maken met
de behoefte van de economie over tien of vijftien jaar?
In feite beschikt de
maatschappij over een toevallige geldmassa, die tot stand is
gekomen door verstrekte leningen in het verleden en het
gedeelte dat daarvan nog terugbetaald moet worden. Elke dag
worden gedeeltes afgelost en nieuwe leningen aangegaan. Door
de gigantische grootte van de geldmassa merkt het volk de
variaties nauwelijks op. In theorie zouden centrale banken
alle informatie over uitstaande leningen kunnen
centraliseren en precies kunnen weten hoeveel geld er
morgen, overmorgen of over tien dagen nog over is van
uitstaande leningen. Met monetaire operaties zouden zij de
geldmassa tamelijk constant kunnen houden. Maar zoals
hierboven reeds vermeld, is dat niet de politiek van
centrale banken. Die doen de geldmassa alleen maar groeien.
Er zijn theorieën in omloop die
zeggen, dat de economie zonder inflatie onbestuurbaar zou
worden. Eén van de sleutelargumenten is, dat als de
geldvoorraad niet stijgt de lonen niet omlaag kunnen,
wanneer economische tegenspoed dat zou vereisen. “Het bedrag
op de loonstrookjes zou dan verlaagd moeten worden en dat
zouden de werknemers nooit accepteren.” En “wanneer de
geldvoorraad toeneemt, kunnen loonsverlagingen onopgemerkt
doorgevoerd worden door de lonen minder hard te laten
stijgen dan de inflatie.” De makers van deze theorieën
begrijpen dus, dat inflatie volksverlakkerij is en vinden
dat dit niet anders kan. Hun theorie snijdt echter geen
hout, want met een constante geldmassa zouden sommige
prijzen stijgen, terwijl andere prijzen dalen. De mensen
zouden heel anders staan tegenover variaties in hun
inkomsten, dan in de huidige situatie, waarin sinds decennia
de prijzen alleen maar stijgen. Met een constante geldmassa
is het zelfs mogelijk bij economische tegenspoed de lonen
niet te verlagen, als bij economische voorspoed het extra
inkomen bestaat uit winstdelingen en belastingvoordelen.
Bij de opzet van het
geldsysteem is niet uitgegaan van een hoeveelheid geld,
waarmee de economie goed zou kunnen functioneren. Het
huidige systeem verzekert alleen maar, dat de banken rente
innen over de totale geldmassa, dat hun onderlinge
concurrentie een zo groot mogelijke inflatie veroorzaakt en
dat de centrale banken hun inkomsten en hun macht veilig
stellen. Het prikkelen van de economie bestaat uit niets
anders dan wat meer of wat minder rente en inflatie. En voor
de rest moet de economie het maar doen met het geld, dat dan
toevallig in omloop is.
5. De oorlog tegen Irak
Geld wordt uitgedrukt in
valuta’s. Elk land heeft een officiële valuta. In de VS is
dat de dollar. De dollar wordt ook buiten de VS veel
gebruikt. Sinds 1973 groeit de hoeveelheid dollars buiten de
VS met steeds grotere snelheid. Deze inflatie levert de VS
veel onmiddellijke voordelen (en pas op de hele lange duur
ernstige complicaties.) De helft van haar importen wordt
betaald met dollars, waarvoor de VS niets terug levert. Die
dollars blijven permanent in het buitenland. Zo koopt de VS
elke minuut voor 1,25 miljoen dollar aan goederen en
diensten van het buitenland, waarvoor het buitenland niets
terug krijgt. De bedragen worden simpelweg toegevoegd aan de
buitenlandse schuld. Die schuld is nu zo hoog, dat de VS
deze niet meer in kan lossen. De VS is dus in feite
failliet. Eén van de belangrijkste redenen waarom de hele
wereld desondanks dollars accepteert, is dat bijna al het
gas en olie op de wereld in dollars betaald moet worden. De
VS heeft daarmee tevens het voordeel, dat zij zelf altijd
vrij over deze gas en oliereserves kan beschikken. Zij kan
immers ten alle tijde net zoveel dollars aanmaken als ze
wil. De VS probeert er daarom voor te zorgen, dat de
OPEC-landen hun olie in dollars blijven verkopen. Irak, dat
de op één na grootste oliereserve ter wereld heeft, stapte
echter op 6 november 2000 over op de euro. [19] Hoewel de VS
al langer zinde op een manier haar invloed in Irak te
herstellen, zou deze overstap de oorlog onvermijdelijk
maken. De dollar zakte weg en in juli 2002 werd de situatie
zo kritisch, dat het IMF waarschuwde, dat de dollar in
elkaar dreigde te klappen. [20] Enkele dagen later werden op
Downing Street de aanvalsplannen besproken. [21] Cheney
verkondigde een maand later, dat het nu zeker was, dat Irak
massa vernietigingswapens had. [22] Met die smoes viel de VS
19 maart 2003 het land binnen. De VS draaide op 5 juni 2003
de Irakese oliehandel weer terug in dollars. [23] Daarmee
heeft de VS in financieel opzicht weer de vrije beschikking
over de Irakese oliereserves. (En terwijl journalisten
vanuit Bagdad verslag doen van de oorlog, wordt vanuit Basra
de olie geëxporteerd.) Sinds het voorjaar van 2003 is ook
Iran overgestapt op de euro en sinds 8 juni 2006 verkoopt
Rusland zijn gas en olie in roebels. (Meer hierover kunt u
lezen in “Kosten, misbruik en gevaren van de dollar.” [24]
N.B.: Achter het conflict van de VS met Iran gaat meer
schuil dan alleen een valutakwestie. Hier gaat het achter de
schermen ook om een kartelvorming op de wereldmarkt voor
nucleaire brandstoffen. Meer hierover kunt u lezen in
“Overval op de nucleaire brandstoffen markt.” [25] )
6. Onderdrukking van Derde Wereldlanden
Het voordeel van gratis
importen (de 1,25 miljoen dollar per minuut) gaat alleen op,
wanneer de dollars permanent in het buitenland blijven. Als
het buitenland er goederen en diensten in de VS mee koopt,
dan heeft de VS geen voordeel. Maar al 30 jaar importeert de
VS meer dan dat ze exporteert. Als geen ander verstaat de VS
de kunst om dollars in het buitenland te laten blijven.
Zo verstrekt de Wereldbank en
het IMF al sinds de jaren 60 leningen in dollars aan Derde
Wereldlanden. De politiek is zoveel mogelijk leningen te
verstrekken, zodat deze landen de schuld nooit meer af
kunnen lossen. [26] Op die manier zitten ze eeuwig vast aan
leningen en groeiende rentelasten. De zogenaamde
ontwikkelingshulp is dus niets anders dan een onderdrukking.
Ook de met veel trompetgeschal verkondigde verlichtingen van
de schuld door geïndustrialiseerde landen stellen nauwelijks
iets voor. [27]
7. Het wapen van China
In China wil de regering niet,
dat daar vrijelijk met dollars wordt gehandeld. De dollars
die Chinese exporteurs verdienen worden door de Chinese
centrale bank tegen lokaal geld ingewisseld. De Chinese
centrale bank beschikt over een gigantische dollarreserve.
In maart 2007 was deze zo’n 1000 miljard dollars. [28] In
feite is dat een tamelijk goede verdediging tegen een
eventuele agressie van VS. Als China wil, kan ze door
dollars op de wisselmarkten aan te bieden de dollarkoers
naar beneden drukken, of zelfs de dollar in één klap
onderuit halen. [29]
8. Inflatie en economische groei
Ons monetaire systeem,
geregeerd door banken, rente en inflatie, bestond al toen
wij geboren werden. Het maakt deel uit van onze
“natuurlijke” omgeving. Daarom is het tamelijk moeilijk te
zien welke invloed het heeft op ons leven en op de
maatschappij. Alles wat we erover kunnen zeggen, kan
gemakkelijk als normaal beoordeeld worden. We weten niet
beter. De effecten van het systeem zijn overal. Zelfs in
onze manier van denken en onze overtuigingen.
Zo klinkt het als
vanzelfsprekend, dat een economie pas gezond is als hij
groeit. Het begrip “economische groei” is heilig verklaard
door economen, politici en een ieder die verstand heeft of
meent te hebben van de maatschappij. In West-Europa en
Noord-Amerika hebben we sinds het begin van de industriële
revolutie met succes economische groei nagestreefd. Het
systeem heeft zich bewezen.
Het is geen toeval, dat ons
geldsysteem gebaseerd is op eeuwige inflatie en onze
economie op eeuwige groei. Enkele pientere bankiers hebben
het systeem begin vorige eeuw zo uitgedokterd. [30] Rente en
inflatie zouden een permanente bron van inkomsten worden
voor de banken, als tegenprestatie voor het simpele uit hun
hoed toveren van geld. De leningen zouden leiden tot meer
economische activiteit. Regeringen en het volk zouden komen
smeken om meer leningen. Het paste perfect in de
ontwikkelingen van het industriële tijdperk. Mechanisatie,
mijnbouw, intensieve landbouw, koloniale rijkdommen,
schaalvergroting, competitie tussen landen, oorlogen en
wederopbouw, de bevolkingsexplosie, gastarbeiders, vrouwen
aan het werk, de ontwikkeling van de dienstverlenende
sector, de informaticaboom, het leidde allemaal tot
economische groei. Economische groei was synoniem voor
welvaart. Tegenwoordig, in West-Europa, redeneren we nog
steeds in termen van economische groei. Door de afvlakking
van de bevolkingsgroei moet die nu uitsluitend komen uit een
steeds hogere werkdruk per werknemer. De wegen tussen
economische groei en welvaart hebben zich gescheiden.
Inflatie werkt als de wortel
voor de snuit van de ezel. Iedereen gaat harder rennen om
een beetje van het extra in omloop gebrachte geld te
bemachtigen. En al rennend ontkomt niemand aan de betaling
voor het gebruik van het geld. Dank zij de inflatie betaalt
iedereen mee aan de rente voor de banken. En als we er met
z’n allen door harder te rennen beter op worden, dan kunnen
we er bijna zeker van zijn, dat de rente verhoogd zal
worden. In het vakjargon heet het dan, dat de economie
oververhit is geraakt en afgeremd moet worden. Totdat we
weer harder moeten rennen.
Wereldwijde expansie
Ondertussen
hebben de banken goed aan de weg getimmerd. Met hun
tovertruc hebben zij de wereld veroverd. Overal hebben de
banken de heerschappij over het geld overgenomen en laten ze
de bevolkingen rente en inflatie betalen. Overal, behalve in
China, hebben centrale banken speciale wetten verkregen,
waarmee zij – onafhankelijk van de wil van de lokale
regering – de hoogte van de rente en de inflatie bepalen. Na
Europa en Noord-Amerika zijn nu andere landen volop aan hun
industriële ontwikkeling bezig. Voor de banken betekent dit
weer nieuwe regeringen en bevolkingen, die geld uit de hoge
hoed willen hebben.
In feite maakt het maar weinig
uit of centrale banken privé- of staatsbanken zijn. Bijna
overal hebben zij een speciaal statuut verworven, die hen
een grote onafhankelijkheid ten opzichte van de lokale
regering garandeert. Zij bepalen in samenspel met
commerciële banken hoeveel leningen er verstrekt worden,
hoeveel geld er in omloop is, en hoeveel de bevolking
hiervoor moet betalen.
9. Verdere groei of een duurzame maatschappij?
Het
gevoerde beleid van de meeste centrale banken is gebaseerd
op permanente groei van de geldmassa. In West-Europa en
Noord-Amerika gaat deze geldgroei al sinds het begin van de
vorige eeuw samen met de groei van de economie en de groei
van de bevolking. Ondertussen is de wereld sterk veranderd.
De bevolkingsexplosie en de toegenomen economische
activiteit hebben de druk op de leefomgeving enorm
opgevoerd. Vruchtbare gebieden zijn door de mensen
ingenomen. Bossen zijn veranderd in akkers en steden. Veel
diersoorten zijn uitgeroeid. Oceanen en zeeën zijn zo goed
als leeggevist. Door de snel groeiende wereldbevolking neemt
de vervuiling van bodem, water en lucht nog steeds toe. Op
veel plaatsen is tekort aan voedsel en drinkwater. Het
klimaat veranderd. De prognoses geven aan, dat in de huidige
trend de wereldbevolking snel zal blijven groeien en zelfs
nog zal verdubbelen. De lijntjes in de grafieken zijn
getekend alsof dat kan…
Limieten aan de groei
De aarde groeit niet mee met de
expansie van onze economieën en de groei van de
wereldbevolking. Voor de eerste keer in de menselijke
geschiedenis lopen we tegen de limieten aan. Uiteraard weten
we ons daar geen raad mee. Kerk en staat zijn gewend groei
te preken, ieder met zijn eigen redenen. Ook bankiers houden
van groei. Limieten aan de wereldbevolking? Geen machthebber
durft zijn vingers aan dit onderwerp te branden.
Waar is die limiet? Dat ligt
eraan, wat we als mensheid willen. Als we op termijn – voor
onze kinderen en kleinkinderen - een zo hoog mogelijk
kwaliteit van het leven willen, dan zouden we de aarde niet
méér moeten belasten dan noodzakelijk is. We zouden moeten
streven naar een kleinere bevolking. Daarmee zou tevens de
voornaamste reden voor conflicten en oorlogen wegvallen.
Het huidige beleid staat
lijnrecht tegenover de behoeftes van een vreedzame en
duurzame samenleving. Het geldsysteem speelt een cruciale
rol. Hervormingen zijn noodzakelijk. Hoe langer daarmee
gewacht wordt, hoe moeizamer het in de toekomst zal worden.
Notities en referenties:
[1]
http://www.mw.ua/2000/2020/52764
[2] “… the reference value (4.5%) of m3
growth on an annual basis. This reference value for monetary
growth is based on a potential economic growth of 2.0% to
2,5%, an inflation of less than 2.0% in the medium term and
a long-term decline of the velocity of money by 0.5% to
1.0%, per annum.”
http://www.dnb.nl/dnb/home/file/ar03_tcm47-146939.pdf
[3] “In
2003, the money supply (m3) in the euro area grew at a rate
of 8.0%, well above the official reference value of 4.5%.”
http://www.dnb.nl/dnb/home/file/ar03_tcm47-146939.pdf
[4]
http://bigpicture.typepad.com/comments/2005/09/the_history_of_.html
[5]
http://www.goldandsilverexchange.info/consumer-price-index.html
[6]
http://www.cbs.nl/en-GB/menu/themas/prijzen/publicaties/artikelen/archief/2005/consumer-price-index-art.htm
[7]
http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/AB3F1E9D-EFED-4FD9-9393-E59F762D5C9B/0/2007gevoelsinflatieart.pdf
[8]
http://www.tutor2u.net/economics/revision-notes/a2-macro-causes-of-inflation.html
[9]
http://www.britannica.com/eb/article-3512/inflation
[10]
http://www.dnb.nl/dnb/home/rente_en_inflatie/algemeen/nl/46-150027.html
[11]
"Price stability is defined as a year-on-year increase in
the Harmonised Index of Consumer Prices (HICP) for the euro
area of below 2%."
http://www.ecb.int/mopo/strategy/pricestab/html/index.en.html
[12]
http://www.dnb.nl/dnb/home/rente_en_inflatie/algemeen/nl/46-150027.html
[13]
http://www.cbc.ca/news/background/economy
[14]
http://www.bis.org/speeches/sp050218.htm
[15]
http://financial-dictionary.thefreedictionary.com/facility
[16]
http://news.bbc.co.uk/2/hi/business/6938425.stm
[17]
http://www.house.gov/jec/fed/05-19-03.pdf
[18] Het
echte voordeel is afhankelijk van het terugbetalings schema.
Het is de moeite waard te vergelijken.
[19] Iraqi oil in euros:
http://www.un.org/Depts/oip/background/oilexports.html